26 May 2014

JAMES JOYCE (1882-1941), writer/poet



Chamber Music I


Strings in the earth and air
  Make music sweet;
Strings by the river where
  The willows meet.

There's music along the river
  For Love wanders there,
Pale flowers on his mantle,
  Dark leaves on his hair.

All softly playing,
  With head to the music bent,
And fingers straying
  Upon an instrument.


Kamermuziek I


Snaren in de aarde en lucht
  Maken muziek zoet;
Snaren bij de rivier waar
  Men de wilgen ontmoet.

Er is muziek bij de rivier
  Want Liefde is zwervend daar,
Bleke bloemen op zijn mantel,
  Donkere bladeren op zijn haar.

Allen zachtjes spelend,
  Met hoofd naar muziek gewend
En vingers zwervend
  Over een instrument.


(Translation into Dutch by Hans van den Bos)

JOHN MONTAGUE (1929), writer/poet

James Joyce

Under the dented hat
with high black band;

that long face, sloping
like a gable down
to the jutting jaw;
sallow skin, scant
moustache, swallowed

by dark, sudden-
ly glinting glasses

those slender fingers
cramped around a
walking stick or
white wine glass;
it could be my

father or yours;
any worn, life

tempered man if
the caption lacked
the detail – bright as
heresiarch or fallen
angel – of his name.


James Joyce
Onder de gedeukte hoed met brede zwarte band; dat lange gezicht, aflopend als een puntgevel naar de vooruitspringende kaak; grauwe huid, karige snor, opgeslokt door donkere, plotseling glinsterende bril die slanke vingers verkrampt rond een wandelstok of glas witte wijn; het zou mijn of jouw vader kunnen zijn; of ieder versleten, levensmoede man als in de titel een kleinigheid ontbrak - prachtig als aartsketter of gevallen engel – van zijn naam.

(Translation into Dutch by Hans van den Bos)

24 May 2014

BRENDAN BEHAN (1923-1964), writer/poet [1]


A Jackeen Laments the Blaskets

To Seán Ó Briain from Ballyferriter

The great sea under the sun will lie like a mirror,
Not a boat sailing, not a living sign from a sinner,
The golden eagle aloft in the distance, the last
Vestige of life by the ruined abandoned Blaskets.

The sun will be gone, the shadow of night spreading
As the moon, rising, through a cloud coldly stretches
Its ghostly fingers over the silent earth
Where, wracked, the shells of the houses stand deserted

Silent save for the birds all homeward flying
Glad to be back, their heads on their breasts lying,
And the wind soughing, softly a half-door swinging
By cold wet hearths, their fires forever extinguished.


Mountjoy, August 1948



Een Dubliner rouwt om de Blaskets

Voor Seán Ó Brian uit Ballyferriter

De grote zee ligt er als een spiegel onder de zon,
met nergens een boot, geen levensteken van een zondaar,
de steenarend hoog in de lucht in de verte, het laatste
spoor van leven bij de geruïneerde in de steek gelaten Blaskets.

De zon gaat onder, de schaduw van de nacht verspreidt zich
als de maan, opkomend, door een wolk, kouwelijk haar
spookachtige vingers strekt over de stille aarde waar,
vervallen, de geraamtes van de verlaten huizen staan

― onuitgesproken veilig voor de vogels die huiswaarts vliegen,
blij om terug te zijn, hun kop in hun veren verborgen
en de wind zucht, zacht gaat een halve deur heen en weer,
vlakbij koude natte haarden, hun vuren zijn voorgoed gedoofd.

Mountjoy, augustus 1948

(Translation into Dutch by Hans van den Bos)