11 December 2015

De Misantroop - Hans van den Bos


1

Op een herfstige vrijdagavond in 1981, net voor sluitingstijd, bezocht Verlaat voor het eerst Vester's boekhandel. Vester zat achter in de winkel aan zijn bureau en had, tot op dat moment, die avond nog geen klant gezien. Verlaat was een jaar of 48, had grijzig haar, een nors gezicht en droeg een grijs kostuum, een wit overhemd en stropdas, met daarover een crème kleurige regenjas. Vester stond op, liep naar hem toe en vroeg of hij hem kon helpen. Verlaat antwoordde, dat hij geïnteresseerd was in de verzamelde werken van F.C. Terborgh, die in de etalage stonden. Vester pakte de vier delen en liet ze hem zien. Nadat Verlaat ze ingekeken had, zei hij, dat hij ze wilde hebben en legde er geld voor op de toonbank. Vester deed de delen, tezamen met een aantal folders over nog te verschijnen Nederlandse litteratuur, in een plastic tasje. Met een bijna onverstaanbare groet verliet Verlaat daarna de winkel.

Twee weken later liep Verlaat er weer op vrijdagavond binnen. Hij gaf een lijstje met titels van nog te verschijnen boeken en vroeg deze boeken voor hem te reserveren. Vester zag, dat hij op het lijstje zijn naam en adres had geschreven en zei hem, dat hij een kaartje zou sturen zodra de boeken binnen waren. Verlaat vond een kaartje niet nodig en antwoordde, dat hij elke vrijdagavond langs zou komen om te kijken of er iets voor hem was aangekomen.
Verlaat kwam vanaf dat moment trouw elke week, kocht de boeken die voor hem gereserveerd waren en tevens nog wat titels uit de winkelvoorraad. De wekelijkse aankopen werden steeds groter, bijna alle Russische vertalingen van uitgeverij Van Oorschot, werken over geschiedenis, klassieken van uitgeverij Athenaeum en verzamelde werken van diverse Nederlandse en vertaalde auteurs.
Contact met Verlaat had Vester bijna niet, de enige conversatie was: Kunt u dit bestellen, deze wil ik hebben, wat moet ik u betalen en tot de volgende week.
Dit ging zo een paar jaar door, totdat het Vester opviel, dat Verlaat al een aantal weken niet meer was geweest. De stapel gereserveerde boeken werd steeds groter. Hij besloot toch maar een kaartje naar hem te sturen met de vraag of Verlaat contact op wilde nemen. Na een week kwam er een man de winkel binnen, die zich bekend maakte als een familielid van Verlaat. Hij vertelde Vester, dat Verlaat, nadat deze de laatste keer in zijn boekhandel was geweest, een honderd meter verder op de oversteekplaats van de kruising was aangereden. Hij was er slecht aan toe, een van zijn knieën was totaal verbrijzeld en hij lag sinds die tijd in het ziekenhuis. Er moesten nog een paar operaties plaats vinden, waarna hij zeker nog een aantal maanden moest revalideren.
Verlaat liet vragen of Vester alle boeken, waarvan hij vermoedde dat Verlaat er belangstelling voor had, apart wilde houden. Verlaat zou dan, zodra hij daartoe instaat was, ze in één keer op komen halen. Vester beloofde dit te doen en vroeg de man het adres van het ziekenhuis, zodat hij Verlaat beterschap kon wensen. De week daarop liet hij door een bloemenhandel een flinke bos rozen in het ziekenhuis bezorgen.

Een paar maanden later stopte er op vrijdagavond voor de boekhandel een taxi, waar Verlaat geholpen door de chauffeur en twee krukken uitstapte. Vester bood Verlaat een stoel aan bij de toonbank en hij ging met moeite zitten. Hij bedankte voor de rozen, die Vester hem gestuurd had en gaf hem een lange lijst met boektitels. Hij vroeg Vester of hij deze wilde bestellen en zei, dat hij voortaan al zijn boeken alleen nog bij hem zou kopen, want andere boekhandels hadden aan het verzoek van zijn neef, om de boeken te reserveren, niet willen voldoen. Na een kort gesprek over de beweegredenen van zijn collega boekverkopers, vroeg Vester of hij misschien een kop koffie wilde. Verlaat antwoordde, dat als het niet te veel moeite was, hij dit graag accepteerde. Tijdens de koffie ontstond er een aardige conversatie over litteratuur en geschiedenis. Na een klein uurtje maakte Vester de rekening voor de boeken op. Het bleek een aanzienlijk bedrag te zijn wat Verlaat moest betalen, maar dat was geen probleem. Naast het bedrag van de rekening gaf hij nog een briefje van duizend extra en zei, dat Vester dit als tegoed moest opschrijven, omdat als er onverhoopt iets met hem gebeurde de boekhandel geen schade zou hebben. Kort daarop kwam de inmiddels door Vester gebelde taxi voorrijden. Hij laadde twee grote dozen met boeken in de kofferbak van de taxi en wenste Verlaat, die inmiddels op de plaats naast de chauffeur zat, een goed weekeinde.

2

Verlaat kwam hierna weer elke vrijdagavond, alleen nu met een taxi en al rond 7 uur en ging dan pas om een uur of 10 weer weg. Tussen de gesprekken over boeken vertelde hij Vester, dat hij was geboren op Kinderdijk, het dorp met de molens, vlakbij Rotterdam. Na zijn schooltijd was hij in Capelle a.d. IJssel, als jongste bediende, op het kantoor van een scheepswerf gaan werken, waar hij zich had opgewerkt tot boekhouder. Rond zijn twintigste was hij op kamers in Rotterdam gaan wonen. Omdat ongeveer een jaar voor het ongeluk de vele boeken een probleem gingen vormen bij zijn hospita, had hij maar besloten een woning te huren.
''Ik heb ooit eens een leuk vrouwtje ontmoet'', vertelde hij Vester op een avond: ''Ze woonde ergens in Ommoord in een hoge flat. Ik was er elk weekeinde, ze kookte dan voor me en zorgde dat er een goede cognac in huis was. Als ze ’s avonds in de keuken bezig was, keek ik televisie. Dat ding stond in de hoek bij het raam, zodat ik niet alleen het wereldnieuws zag, maar ook alles wat er in Ommoord in de andere flats gebeurde. De meeste Nederlanders doen hun gordijnen niet dicht, omdat ze willen laten zien hoe goed ze het hebben. Wat me opviel was, dat waar ik ook keek, ik mannen zag zitten in een luie stoel voor dat rot ding, terwijl hun vrouwen in de keuken bezig waren met het eten koken of met de afwas. Na een heleboel van die weekeinden kon ik het niet meer aan zien, ik ben opgestaan, heb mijn jas aangetrokken en ben zachtjes weggegaan. Ik heb haar nooit meer gezien. Dat samenleven wordt op een gegeven moment een sleur, je hebt er niets aan. Kijk nou is naar jouw huwelijk, is dat zo lekker? Ik hoor wel eens wat als ik hier zit. Ze is nooit thuis als je haar nodig hebt, ze is dan naar haar moeder, naar de stad, het strand, of weet ik veel waar naartoe. Soms als je ziek bent vervangt ze je op haar manier, maar dan loopt ze wel de hele dag te klagen. Ach ja, ze zet wel eens koffie en kookt je eten ’s avonds, maar daar heb je geen vrouw voor nodig''.

Een jaar na zijn ongeluk ging Verlaat weer aan het werk. Het lopen bleef pijnlijk, hij gebruikte nog altijd een kruk en ging daarom elke dag naar Capelle a.d. IJssel heen en weer met een taxi, die betaald werd door de verzekering. Na verloop van tijd en na vele keuringen gaven ze hem een aangepaste auto, omdat ze inzagen, dat de taxikosten nog wel jaren konden gaan duren. Maar hij had de auto nog geen jaar, toen de scheepswerf in financiële moeilijkheden kwam. Er zouden vele mensen ontslagen gaan worden. Verlaat konden ze nog wel een tijdje gebruiken, maar hij wilde niet meer en stelde de directie voor om hem maar te ontslaan, zodat in zijn plaats een jonge vent met een gezin kon blijven werken. Hij kreeg zijn zin en ging de w.w. in en moest daarna natuurlijk regelmatig solliciteren, maar gelukkig voor hem wilde niemand een 55 jarige manke boekhouder hebben, die niets van computers wist.

''Moet je die duizend gulden niet terug hebben, die je mij gegeven hebt als voorschot?'' vroeg Vester hem op zekere dag. “Je moet niet denken, dat je van me af bent”, antwoordde hij: “Ik ben niet voor niets 30 jaar boekhouder geweest. Al die jaren heb ik goedkoop geleefd. Geen vrouw en kinderen, begrijp je, dus ik heb een aardige spaarrekening, waarmee ik nog heel wat boeken kan kopen en als dat geld op is zijn we zeker heel wat jaren verder en daarna zet ik er een punt achter.”

Na zijn ontslag ging Verlaat ’s morgens in plaats van op vrijdagavond. Meestal op vrijdagochtend om half elf en hij bleef dan tot een uur of drie in de winkel zitten. Vester schonk hem ongeveer elk uur een kop koffie in en hij bekeek op zijn gemak de rondlopende klanten, terwijl hij constant shagjes rookte. Verlaat voelde zich bezwaard voor al die koffie, want na korte tijd werd het een vast ritueel, dat hij maandelijks een pak koffie en suiker meenam, zodat Vester geen extra kosten aan hem had. Als de vervoerscentrale om ongeveer 1 uur dozen met boeken bezorgde, stond Verlaat op en bleef nieuwsgierig, als een kind met de zak van Sint-Nicolaas, bij Vester staan totdat deze alles had uitgepakt en hij reserveerde gelijk de titels die hij wilde hebben.
3

Kort nadat Vester gescheiden van zijn vrouw was, nodigde Verlaat hem uit om op een avond een biertje bij hem te komen drinken. Omdat Vester benieuwd was naar zijn boekenverzameling maakte hij gelijk een afspraak met Verlaat voor de volgende dinsdag. Vester moest van hem na het aanbellen een paar stappen terug doen, zodat hij door het raam kon zien dat hij het was, want hij vertelde hem, dat hij normaal nooit open deed.
Die dinsdagavond wandelde Vester naar Verlaat's huis, belde aan en terwijl hij achteruit liep zag hij hem de gordijnen opzij schuiven. Vester stak zijn hand op ging terug naar de deur. Na een paar minuten hoorde hij een sleutel in het slot en de deur ging open. Verlaat nodigde hem uit binnen te komen en waarschuwde hem zijn nek niet te breken over de rommel, want het licht was kapot. De gang was bezaaid met folders en oude kranten en er hing een muffe, vochtige lucht. Vester volgde Verlaat een kale trap op en kwam op een donkere overloop, waar het rook naar een mengsel van bloemkool en spruiten, die dagen hadden staan pruttelen. Verlaat opende een deur en liet hem voor gaan. Vester keek zijn ogen uit; het was een lange smalle kamer, waar hij ook keek zag hij boeken. Drie wanden waren bekleed van vloer tot plafond met volgepropte boekenkasten, op de vloer voor de kasten stonden stapels boeken van meer dan een meter hoog en op de vensterbank lagen twee rijen boeken, overwoekerd door een enorme kamerplant. Onder het raam, verlicht door een staande schemerlamp, stonden een oude fauteuil en een soort kloostertafel, bedekt met boeken en vuil serviesgoed. Aan de andere kant van de kamer, naast een deur in de boekenkast, stond een zelfde groep meubilair. Alles in het huis was smerig, helaas ook de prachtige boeken die Verlaat had verzameld. Hij zei dat Vester kon gaan zitten en ging de kamer uit. Hij kwam terug met twee flesjes bier, die hij opende met een rondzwervende nijptang en gaf Vester een flesje. Met een soort theedoek probeerde Verlaat een vuil glas, dat hij tussen de boeken vandaan te voorschijn toverde, schoon te maken en vroeg Vester of hij ook een glas wilde. Deze zei maar gauw dat hij liever rechtstreeks uit het flesje dronk en proostte op Verlaat's gezondheid.
Natuurlijk ontstond er, na wat anekdotes uitgewisseld te hebben, een gesprek over boeken, met name over de Russische geschiedenis en -litteratuur, waarmee Verlaat meer dan twee kasten vol had staan. Het was duidelijk dat Rusland zijn grote liefde was en dat hij een enorme bewondering had voor Tsjechov.

''Tsjechov was fenomenaal'', volgens Verlaat: ''Hij was de grootste aller Russische schrijvers. Als iemand iets wil weten over het Russische leven, dan moet hij de verhalen van deze schrijver lezen. Hij schreef ze in de negentiende eeuw tijdens het tsarisme, maar men kon ze ook plaatsen tijdens het zogenaamde communisme, of nu, na de val van het communisme in het nieuwe Rusland. Er zal daar niets veranderen, een Rus blijft een Rus''.

Verlaat had een zwak voor Rusland, waarom was Vester niet helemaal duidelijk, want hij had begrepen dat Verlaat niets van het communisme moest hebben. Misschien omdat het zulke grote schrijvers had voortgebracht. Voor andere landen had Verlaat geen goed woord over en hij hekelde in het bijzonder de westerse kapitalistische landen, dat waren allemaal grote boeven. Eigenlijk was in zijn ogen de hele politieke wereld rot en misdadig en het stomme volk liet zich met loze beloften maar zoet houden.
Af en toe probeerde Vester wat tegen zijn negativisme in te brengen en merkte onder andere op, dat er de laatste honderd jaar toch wel wat was verbeterd in de wereld, maar toen hij daarvan een voorbeeld gaf, wuifde Verlaat het achteloos weg en zei bijna agressief: ''Je begrijpt er niets van, zei hij, je laat ook inpakken, wacht maar af, je komt er wel achter''.

Inmiddels werd de druk op de blaas van Vester te veel, hij stond op en zei, dat hij even van het toilet gebruik ging maken. Hij liep de kamer uit en koos in de donkere gang de verkeerde deur, zodat hij plotseling in de keuken stond. Het stonk er, op het smerige fornuis stond een steelpan met wasgoed te dampen en op het aanrecht lagen boeken tussen het vuile servies. Hij draaide zich om, ging de gang weer in en hoorde vanuit de kamer, dat hij rechtsaf had gemoeten. Hij deed de andere deur open, wist het lichtknopje te vinden en er openbaarde zich een w.c. die in jaren niet was schoongemaakt. Naast de toiletpot en op de vloer in de douche ruimte lagen vuile kleren. Hij deed zijn behoefte zo snel mogelijk, pakte de hoogste plek van het stuk touw dat aan de trekker hing en trok door. Er klonk wat gesputter, echter wat er moest gebeuren, gebeurde niet. Hij probeerde het nogmaals, maar er kwam geen water door de pijp naar beneden. Wederom klonk de stem van Verlaat vanuit de kamer, die hem toeriep, dat het ding al weken kapot was en dat hij later wel een emmer water in de pot zou gooien. Vester deed het licht uit en keerde terug naar de woonkamer, waar Verlaat zijn complete verzameling kleine boekjes van de Klassieke Galerij te voorschijn had gehaald. Hij liet ze een voor een aan Vester zien, zoals andere mensen foto's tonen.
Toen Vester zijn vierde biertje op had, vond hij het genoeg en zei tegen Verlaat, dat hij naar huis moest, omdat hij met zijn hond nog een rondje wilde lopen en dat het arme beest ook nog niet gegeten had. Verlaat volgde Vester de donkere trap af met een zaklantaarn en zei: ''Tot vrijdag'' en deed de buitendeur achter hem op slot.

4

Ongeveer een jaar later, vertelde Vester aan Verlaat, dat hij kennis had gemaakt met een Engelse vrouw, een zangpedagoge en klassiek zangeres. Hij kende haar al een aantal weken en zou binnenkort met haar op bezoek gaan bij haar vader in Engeland. Verlaat schudde verbaasd zijn hoofd en mompelde, dat Vester niet goed wijs was. Hij legde met een klap het boek neer wat hij in zat te kijken en zei geagiteerd: ''Hoe kom je erbij? Twintig jaar van je leven verpest met dat vorige wijf en na een jaar van rust begin je aan de volgende ellende. Ik dacht dat je met een vriend naar Ierland zou gaan. Laat je hem nou stikken?'' ''Helemaal niet'', antwoordde Vester lachend: ''Ik ga eerst met haar voor een week naar Somerset, van daaruit rij ik met de auto naar Fishguard in Wales, vaar dan over naar Rosslare en rij daarna naar Cork. Die vriend van mij gaat die zelfde dag met het vliegtuig vanuit Amsterdam en we zien elkaar dan de volgende dag in Cork, waarna we veertien dagen rond gaan trekken''. Verlaat haalde zijn schouders op en mompelde iets onverstaanbaars. Vester schonk hem nog een koffie in en ging een klant helpen.
Een paar maanden na zijn vakantie stelde Vester zijn vriendin, die inmiddels bij hem boven de zaak was komen wonen, voor aan Verlaat. Terwijl Vester bezig was met een vertegenwoordiger, had zij met Verlaat een gesprek over haar werk als zangeres. Kort daarna, toen ze weer alleen waren, zei Verlaat: ''Ze lijkt me op het eerste gezicht wel sympathiek en ze heeft een intelligentie die niet veel voorkomt bij vrouwen. Maar waarom ze nu gelijk bij je in moet trekken begrijp ik niet, je bent daardoor je vrijheid weer kwijt.'' ''Het kan iets met liefde te maken hebben,'' antwoordde Vester hem met een glimlach en vervolgde: ''Ik heb haar trouwens daartoe zelf uitgenodigd, want ik vind de relatie met haar belangrijker dan mijn zogenaamde vrijheid. Echte vrijheid bestaat niet, de vrijheid waar jij het over hebt noem ik eenzaamheid.'' ''Nou, daar zijn we het dan niet over eens'', reageerde hij nors: ''Ik heb vrijheid, ik kan doen en laten wat ik wil, trouwens die liefde waar jij het over hebt kan zo over zijn en dan begint het gelazer weer opnieuw.'' ''Nog een kop koffie?'' vroeg Vester. ''Nee, laat maar, pak mijn boeken maar in, ik denk dat ik maar eens op huis af ga,'' antwoordde Verlaat: ''Het is al bijna vier uur''.

5

Honour, de vriendin van Vester, kwam tussen het lesgeven meestal 's morgens de winkel in voor een kop koffie en bracht Vester rond het middaguur zijn lunch. Zo ook op vrijdag als Verlaat op zijn stoel achter in de winkel zat. Langzamerhand ontstond er tussen haar en hem een zeker vertrouwen en Verlaat luisterde met plezier naar haar verhalen over haar optredens en lespraktijk. Hij ging zelfs zo ver, dat hij een aantal keren een concert van haar bezocht en aan Vester bekende zeer onder de indruk te zijn van Honour's stem.
Inmiddels gingen de zaken in de boekhandel steeds verder achteruit. De afbraak van de oude huizen veroorzaakte, dat de klanten, waaronder vele studenten uit de wijk verdwenen. De gerenoveerde en nieuw gebouwde huizen werden voor een belangrijk deel bevolkt door mensen uit andere culturen. Dit waren voor groot deel laag opgeleide mensen, die niet geïnteresseerd waren in de voorraad van Vester's boekhandel. Hij probeerde het nog met een collectie Surinaamse en Antilliaanse boeken en Engels – en Nederlandstalige series van derde wereld schrijvers, maar het mocht allemaal niet baten. De zeldzame kopers van deze boeken, waren meestal Nederlanders die vanwege hun werk te maken hadden met immigranten.
Op advies van de bank en een aantal vrienden ging Vester op zoek naar een andere locatie. Hij vond deze in een door de gemeente ontwikkelde zogenaamde kunststraat, omgeven door oude en nieuw gebouwde musea. Het oude pand werd tot zijn verbazing heel snel verkocht aan een belegger uit Hongkong en hij huurde van de gemeente het nieuwe pand in de kunststraat. Samen met Honour was hij een maand bezig met de inrichting en de verhuizing. De dag van de opening was grandioos, nog nooit had Vester zulk een omzet gehad. Iedere bezoeker was laaiend enthousiast en Vester ging er vanuit, dat hij een goede toekomst tegemoet ging.

Verlaat was erg enthousiast over de nieuwe winkel. Hij kwam ook daar elke vrijdag, alleen hij was er pas rond elf uur, omdat de loopafstand was verdrievoudigd. Halverwege wist hij een bank, waarop hij een kwartiertje kon uitrusten, want met dat been van hem was het onmogelijk de afstand in een ruk te overbruggen. Alleen als het erg slecht weer was, dan nam hij de tram.


Hij klaagde al een tijdje over doofheid in zijn linker oor en zei dat het steeds erger werd. Vester had hem al verscheidene keren geadviseerd een bezoek te brengen aan een oorarts, maar Verlaat gooide het telkens op ouderdom. Doch op zekere dag vertelde hij Vester dat hij in Dijkzicht bij een oorarts was geweest en dat het probleem was opgelost. Er was gebleken, dat er in zijn oor een stuk watten van waarschijnlijk een wattenstokje was verzeild geraakt en dat de arts het verwijderd had. Wel was zijn oor nog ontstoken, maar zijn gehoor was al een stuk beter.

6

De zaken gingen in Vester's boekhandel steeds slechter. De zogenaamde kunststraat ontwikkelde zich niet zoals de gemeente had beloofd. Inmiddels waren er wel een architectuur museum en een foto museum geopend, maar het publiek van deze instituten liet de kunststraat verder links liggen. Ook omdat de musea, waaronder o.a. ook Boymans zelf boeken verkochten. Die boekenverkoop gebeurde daar ook op zondagen als de boekhandel verplicht gesloten was. Vester liet het er niet bij zitten en ging op zondag illegaal open. Doormiddel van advertenties maakte hij het kenbaar aan het publiek. Na een aantal zondagen kwam er een agent van het politiebureau in straat de zaak in en vroeg aan Vester waarom de zaak open was. Vester vertelde de agent dat hij geen toestemming had om zijn zaak op zondag open te stellen, maar dat hij geld wilde verdienen en dat de agent hem kon bekeuren, zodat de rechter kon beslissen of hij gelijk had. De agent zei hem, dat hij het door zou geven aan zijn superieuren en verdween op zijn fiets. Een paar uur later bezocht een brigadier Vester's zaak en Vester legde hem uit dat Boymans, een gemeente museum, een boekhandel heeft waar een ieder, zelfs zonder museum bezoek op zondag kan binnenlopen en boeken kan kopen. Waarom zou zijn boekhandel dan niet open mogen zijn? Deze politieman wenste Vester veel succes en wandelde terug naar zijn bureau.
In de weken daarna werd Vester regelmatig ondervraagd door journalisten van lokale en landelijke dagbladen en zelfs de nationale radio had belangstelling.
De zaak werd ook op een zondag bezocht door de burgemeester en zijn partner, zij stelden zich aan Vester voor maar spraken niet over openingstijden. Zij bekeken een kwartiertje wat boeken en verlieten de zaak zonder aankoop.

In het begin had Vester door de publiciteit het een stuk drukker, maar na ongeveer een half jaar openden in den lande vele winkels en warenhuizen hun deuren op zondag, daar de wet het inmiddels toestond. Hetgeen betekende dat de aanloop op zondag bij Vester's boekhandel weer terug liep.

Iets langer dan een jaar later had Vester een lang gesprek met zijn boekhouder, hij zag het niet meer zitten in de kunststraat. Zijn boekhouder adviseerde hem er per direkt mee te stoppen en Vester sloot, na een opheffings uitverkoop, de boekhandel waarin hij zo'n 30 jaar van zijn leven had doorgebracht.
Verlaat was diep teleurgesteld, maar Vester sprak met hem af dat het geen einde van hun contact behoefde te zijn en stelde voor dat ze de vrijdagen gewoon bij Vester thuis konden voortzetten. Het geen ook een half jaar lang gebeurde, maar daarna kwam er langzaam de klad er in. Vester zag Verlaat steeds minder en na verloop van tijd was het helemaal afgelopen. Hij ging wel eens naar Verlaat's huis maar er werd nooit opengedaan en telefoneren was niet mogelijk daar Verlaat dit apparaat nooit in huis had willen hebben.

Voordat Vester naar Ierland emigreerde ging hij voor de laatste maal naar het huis van Verlaat. Hij belde aan en er werd opengedaan door een Turkse vrouw. Vester vroeg haar of zij ene Verlaat kende. Zij antwoordde in half verstaanbaar Nederlands dat zij nooit van die naam had gehoord en dat zij er pas een half jaar woonde. Op zijn weg terug zag hij op de hoek van de straat het buurtwinkeltje waar Verlaat altijd zijn boodschappen deed. Hij ging er naar binnen en vroeg het meisje aan de kassa naar de eigenaar. Zij wees naar achteren waar een man vakken aan het vullen was. Hij liep naar hem toe en vroeg hem of hij Verlaat van nummer 35 kende. De naam kende hij niet, maar wel die mijnheer van 35 met dat manke been. Hij bezorgde er altijd bier en wat etenswaren, maar toen opeens was hij verdwenen en een tijd later werd het huis gerenoveerd. Hij wist niet waar hij naar toe was gegaan. Thuis gekomen belde en schreef Vester naar diverse instanties, maar die wilden of konden geen informatie verstrekken.
Twee weken later vertrok Vester naar Ierland.

Hans van den Bos

No comments:

Post a Comment