31 December 2015

Van homoboeken tot Duivelsverzen - Hans van den Bos

Naar aanleiding van een advertentie in Het Vrije Volk solliciteerde ik in 1968 naar de vacature voor 'assistent in de boekhandel'. Na een persoonlijk gesprek in de winkel op de Middellandstraat werd ik verkozen boven zo'n dertig andere sollicitanten. De eerste zes maanden bracht ik door in de winkel in Rotterdam en daarna zes jaar in het filiaal in Dordrecht, hoewel ik regematig moest invallen in Rotterdam.

Wekenlang mocht ik niets anders doen dan boeken recht zetten en stoffen, de klanten moest ik doorverwijzen naar mijn chef. Na verloop van tijd was het mij toegestaan kranten en tijdschriften af te rekenen. Maar na een paar maanden mocht ik ook de andere klanten helpen. Er gingen regelmatig klanten rechtstreeks naar het kantoortje achter in de winkel. De klant kwam daarna met een pakje waar de prijs op geschreven stond naar de kassa en ik moest dat bedrag dan met hem afrekenen. Toen dit verschillende keren gebeurd was, vroeg ik mijn baas, wat er in die pakjes zat, waarop hij kribbig reageerde met de woorden : 'Dat gaat je geen bliksem aan'.

Wilhelm von Gloeden - L'apprenti-poète at Étant donné
Op zekere dag, ik was alleen in de winkel, kwamen er twee mannen binnen. Zij liepen eerst wat rond te kijken, waarna een van hen naar de toonbank kwam en vroeg of we ook homo lectuur in voorraad hadden. Ik wees hem een kastje met boeken, waarin schrijvers stonden als Reve, Van Deijssel, Blaman, Baldwin, Genet, Couperus, Isherwood, enz. Hij zei dat hij die niet bedoelde, hij wilde iets met foto's. Ik vertelde hem dat we zulke boeken niet in de voorraad hadden en ze verlieten zonder iets te kopen de winkel. Toen kort daarna mijn baas terug kwam vertelde ik hem over de twee mannen. Hij schrok, ging naar de telefoon, belde zijn vriend die regelmatig klussen voor hem deed en verzocht hem zo snel mogelijk langs te komen. Hij was er binnen een uur en sjouwde zo'n tien volle dozen naar zijn auto en reed er mee weg. Later drong het tot me door, dat die twee mannen van de recherche waren en dat er in die pakjes, die van achter kwamen, boeken zaten die niet door de christelijke beugel konden.

Salman Rushdie
Jaren later, ik was inmiddels eigenaar van de zaak, verscheen het nu wereldberoemde boek 'The Satanic Verses' van Salman Rushdie, waarvan een vertaling verscheen in 1989. Om dat boek werd hij in 1989 getroffen door een zogenaamde fatwa van de Iraanse moslimgeestelijke Khomeini, waardoor hij vogelvrij werd verklaard en kon worden vervolgd. Ik was zo onder de indruk van dat gedoe, dat ik vond dat ik het boek extra aandacht moest geven. Ik verhoogde de bestelling die ik geplaatst had bij de uitgever met enkele tientallen en toen zij binnen kwamen richtte ik er de etalage mee in. Ik plaatste het boek 'Massa en macht' van Elias Canetti op een verhoging midden in de etalage en omwikkelde die verhoging met een zwart zijden laken en spreidde het laken verder over de bodem van de etalage . Aan de voet van die verhoging zette ik een stapeltje Rushdie's met daar omheen boeken die vroeger in allerlei landen verboden waren; o.a. titels van Joyce, Lawrence, Nabokov, Henry Miller, de Sade, Solsjenitsin, enz.
Van alle kanten, werd er via de pers gewaarschuwd voorzichtig te zijn met het naar voren brengen van De Duivelsverzen. Ik trok me er niet veel van aan, maar schrok wel een beetje toen ik schreeuwende mensen met spandoeken aan zag komen, maar gelukkig passeerden zij mijn winkel, zonder zelfs maar een blik in de etalage te werpen. Kort daarna hoorde ik dat er een demonstratie tegen het boek was geweest op de Coolsingel bij De Slegte. Waarom? Ik nam aan, dat zij geen Duivelsverzen in voorraad hadden. Het boek was te nieuw en nog niet gestolen.

Na een paar dagen kreeg ik bezoek van een jongen van ongeveer twaalf, die mij in plat Rotterdams vertelde dat zijn vader, die uit Marokko kwam, het niet goed vond dat deze winkel het boek van Rushdie verkocht. Ik zei hem, dat zijn vader dat mocht vinden, maar dat ik tegenwoordig in Nederland zelf mag uitmaken wat ik verkoop. Hij bedankte me heel beleefd voor mijn antwoord en verliet de winkel.
Een ander bezoek kreeg ik een week later. Een mij onbekende vrouw van rond de veertig kwam de winkel in met een bos bloemen. Zij overhandigde mij de bloemen met de woorden: ''Ik vind het zo moedig van u dat u dat boek verkoopt. Ze moeten die pokke Turken allemaal het land uittrappen. Nederland is van de Nederlanders.' Ik gaf haar de bloemen terug en zei dat ik die etalage niet had gemaakt om moslims te pesten, maar ter ere van Salmon Rushdie en ik vroeg of ze zo snel mogelijk mijn winkel wilde verlaten.
De volgende dag heb ik de Duivelsverzen uit de etalage gehaald en op de toonbank gestapeld, doch Massa en Macht heb ik nog een tijdje laten staan.

15 December 2015

Bij Dingle Bay en Blasket Sound - Steve Mac Donogh


In Ballyferriter in Corca Dhuibhne*
Steve Mac Donogh [1949-2010]
verheffen de Three Sisters hun hoofden om uit
te kijken over de eindeloze oppervlakte van de zee.
In Ballyferriter in Corca Dhuibhne
beschaduwen cohorten van Duitse padvinders
hun ogen naar een Atlantische zonsondergang;
naast hen persen gaggelende meisjes uit Dublin
zich in de bus naar de Dún an Óir**.
Niemand groeit op in Ballyferriter
zonder een oog te richten naar de horizon
waar lucht zee ontmoet en wolken onderduiken.
Niemand kijkt naar het silhouet van de ‘Dead Man’;
niemand let op de verandering van het avondlicht
in het westen, dat van blauw naar geel gaat,
van geel naar goud, naar roze, rood en paars;
niemand kijkt of let op zonder te weten,
dat op de ver afgelegen kust van de oceaan
een nieuwe bestemming ligt, een leven en een huis
op een plek die nooit thuis zal zijn.
In Daniel Keane’s speelt een man uit Cork viool,
een Yank praat over folklore en een Dublinner zingt;
aan de bar drie stamgasten van in de zestig,
wier blikken mistig zinken in pinten.
Er zijn Spanjaarden in de Blasket Sound,
gegrepen door de muil van de zee
vanaf schepen van de Armada;
Blasket en vasteland vissers zijn ook
te vroeg van het leven beroofd.

En nu is het de lucht
die de jeugd van Ballyferriter plukt,
niet tot dood, maar tot ballingschap
vanuit de poorten van vaarwel
op Shannon, Cork en Dublin.
Niemand groeit op in Ballyferriter
zonder een oog te richten op de horizon,
of een oor aan de telefoon voor nieuws van de overkant
van zussen, broers, vrienden.....
En in de landen van opportuniteit
dromen de jonge landverhuizers
om alles te worden wat ze willen,
maar weten amper de realiteit van het mogelijke.
Maar ‘thuis,’ zeggen ze, ‘is de enige plek
waar je jezelf kan zijn.'
Thuis is de diepe en genezende bron
naar welke zij terugkeren; en hier
betalen zij het rondje en dansen
als pelgrims op een oud patroon.
Enkele zien de reden voor hun ballingschap,
enkele willen het weten, het is genoeg geweest
om een nieuwe plek in een nieuwe wereld te leren.
Thuis zijn alleen maar brochures
en bureaucraten die opscheppen
over de wonderen van diep ploegen;
de anderen registreren groenten
rottend op de hoop of omgeploegd,
registreren een industrie van excuses
voor management onkosten.

De zelfverzekerde forten op hoge kliffen
laten een trots, ontwikkeld verleden zien,
maar hun ruïnes waken over
zeeën wier producten zijn gestolen
en velden waar buachalláin bui***
het enige gewas is.
De mensen van Duibhne verspreiden zich
terwijl gladde jongens en volgzame ambtenaren
balken als verzadigde ezels,
fondsen verwerven uit naam
van erfgoed en samenwerking.
Taal is op zijn kop gezet:
geld geeft macht aan leugenaars,
maakt dwazen van betrouwbare vrouwen en mannen.
Niemand groeit op in Ballyferriter
zonder een oog te richten op de horizon,
waar lucht zee ontmoet en wolken onderduiken.

[Vertaling uit het Engels door Hans van den Bos]

*Dingle Peninsula
***Geel Jacobskruiskruid - Senecio jacobaea

14 December 2015

De Violist - Hans van den Bos

Ik zag de violist voor het eerst in een restaurant in Cork. Hij was een kennis van een Ierse vriend van mij, die ons had uitgenodigd voor een etentje. Daarna zou de violist, met enkele vrienden en leerlingen van hem, optreden in een pub in het dorpje Ballynagree in het westen van Co. Cork en de bedoeling was dat wij met ons allen daar ook naar toe zouden gaan.
Ik verwonderde me over zijn vreemde gedrag. Hij was zeer verlegen en zijn starende donkere ogen priemden constant in de richting van Hilary, mijn vrouw. Na het eten reed hij die avond in het donker voor ons uit over de smalle Ierse wegen, om via een enorme omweg eerst een paar van zijn vrienden op te halen.
Na meer dan een uur rijden kwamen we eindelijk bij de betreffende pub aan. Het was er behoorlijk druk en er waren al verschillende muzikanten aan het spelen. Het werd een matige avond, met redelijke momenten. Hij speelde zelf enkele van zijn eigen composities, die Hilary en ik totaal niet interessant vonden.
Een paar dagen later gaven Hilary en Jacques, haar pianist, een klassiek recital in een oud kerkje in Kilvalu, waar de violist onverwachts met een videocamera opdook. Hij vroeg toestemming aan Hilary om opnamen te mogen maken van hun optreden en beloofde haar een kopie daarvan op te sturen. Ze vond dat heel aardig van hem en gaf hem toestemming.
Tijdens het concert liep hij heel onhandig met de camera op zijn schouder tussen de toehoorders door opnamen te maken. Een manier die mij niet de juiste leek, hoewel ik zelf nog nooit zo’n ding in mijn handen heb gehad.
Na afloop van het recital gingen we met een stel mensen, en natuurlijk ging de violist ook mee, naar een pub aan de overkant van het kerkje. Iedereen ging aan de alcohol, behalve hij. Hij rookte en dronk al jaren niet meer, vertelde hij mij vertrouwelijk. Ongeveer een uur lang zat hij zwijgend wederom Hilary aan te staren, die er langzaam de kriebels van kreeg; maar plotseling stond hij op nam afscheid en verdween naar huis.

Het was na ongeveer een jaar, Hilary en ik waren net terug van een vakantie, toen ik op de deurmat een briefje van de postbode vond, waarop vermeld stond, dat een pakje niet door de brievenbus kon en of we het wilden ophalen op het postkantoor.
Een paar dagen later had ik de gelegenheid en haalde het pakje op; het bleek uit Ierland te komen, maar er stond geen afzender op. Toen ik het pakje thuis openmaakte en er een videoband uithaalde, viel er een slordig geschreven briefje uit. De schrijver bood zijn excuses aan voor het zo laat sturen van de opnamen en schreef, dat hij de band van zo'n drie uur had vol gemaakt met opnamen van beroemde Ierse volksmuzikanten. Toen begreep ik pas dat hij het was, de violist met de starende ogen. Hilary bedankte hem later met een kaartje voor de opname van haar optreden en voor al die mooie Ierse muziek die hij op de band had gezet.
Enkele weken later ging om een uur of drie ‘s middags de telefoon, ik nam op, noemde mijn naam en het antwoord wat ik kreeg was: “Hello there, with myself”. Ik zat heel even met een mond vol tanden, maar ik realiseerde me opeens, dat het die violist uit Ierland moest zijn en ik antwoordde: “Hello there, its me”.
Een moment was het stil, maar daarna, na een soort inleidend verhaaltje over muziek, begon de violist zichzelf bij ons in Rotterdam uit te nodigen. Dat was iets waar ik totaal geen zin in had, zodat ik met een smoesje over drukte, reizen en geen logeerkamer de boot afhield. De violist zei, dat hij het begreep, even goede vrienden en hoopte dat wij contact met hem op zouden nemen als we weer in Ierland waren. Ik beloofde dat min of meer.

In februari van het jaar daarop waren we in Ierland, omdat Hilary en Jacques op de Universiteit van Cork een middagconcert moesten geven met liederen van Prokofjev en van Davids, een hedendaagse Engelse componist die in Ierland woont. Na het concert gingen Jacques en zijn vrouw hun eigen weg en Hilary en ik namen een B&B in Midleton ongeveer 25 kilometers van Cork vandaan en gebruikten de dagen die we nog over hadden om het oosten van Co. Cork te verkennen, daar wij van plan waren om ons in de nabije toekomst hier definitief te gaan vestigen.
s Avonds was er in één van de pubs in Midleton een sessie met traditionele muziek. Na een aantal pints verpoosde ik me even op de “gents”, waar men zoals altijd op het “groene eiland” een gezellig gesprek kan hebben over allerhande onderwerpen, in dit geval was het over muziek. Toen ik na een minuut of tien naar Hilary terugkeerde, zag ik tot mijn grote verbazing de violist met haar staan praten. Ik ging naar hen toe en gaf de violist een hand. Hij vertelde mij, dat hij op de muziek was afgekomen, omdat een leerling van hem meespeelde.
We luisterden verder naar de muziek, Hilary en ik onder het genot van de Guinness, de violist was aan de limonade en we spraken tussendoor over koetjes en kalfjes. Na afloop nodigde hij ons bij hem thuis uit voor de volgende zondagavond, daar hij met bevriende musici een sessie zou hebben. Hij noemde een paar bekende namen. In eerste instantie zei ik twijfelend, dat we nog heel wat te doen hadden de volgende dagen, maar toen de violist op zijn beurt naar de “gents” ging spraken Hilary en ik af dat, omdat we die mensen graag wilden ontmoeten, we zouden zeggen, dat wij het leuk vonden om zijn uitnodiging te accepteren.

Die zondag na een zeer goed diner in Ballymalou House, vlak bij het vissersdorpje Ballycotton, klopten we rond een uur of negen ‘s avonds bij hem aan. Hij deed open en vertelde ons, dat we de eersten waren. In het huis was het een enorme bende, in de hal lagen oude kranten en jassen op de grond, in de woonkamer op tafel stonden vuile borden met bestek, kopjes en glazen; zo te zien van enkele weken.
In de haard brandde zachtjes wat turf, maar het was er kil en vochtig en er hing een penetrante geur, die ik al rook bij het binnenkomen.
De violist had de buitendeur open gelaten en binnen een uur zaten er een stuk of twaalf mensen in de kamer, waarvan de meeste met muziekinstrumenten. Nadat Hilary en ik kennisgemaakt hadden met de andere gasten en wat hadden zitten praten, zette een bagpiper een jig in en langzamerhand zaten alle musici te spelen.
Na een uurtje zag ik de violist uit de keuken komen met zo te zien een kop thee. Hij maakte geen aanstalten om aan zijn gasten te vragen of zij misschien ook iets wilden drinken.
Ik begreep, dat hij dat niet meer deed, omdat iedereen natuurlijk weigerde na het zien van de viezigheid in de keuken. Ik had van hem gehoord, dat hij jaren met zijn moeder alleen had gewoond en dat zij een paar jaar geleden was overleden. Het huis was zo te zien sinds die tijd niet meer schoongemaakt.
Rond een uur of twaalf stond iedereen op om naar huis te gaan. Hilary ik volgden dit voorbeeld, namen afscheid en gingen naar onze auto.
We stapten in de auto, ik stak een sigaret op en we praatten samen eerst nog wat na. De andere auto’s reden toeterend weg en ik draaide de sleutel om. De motor zweeg echter in alle talen. Onze gastheer stond nog voor zijn deur en kwam naar ons toe en zei, dat we eventueel konden blijven slapen en dan morgen naar de garage in het dorp zouden kunnen gaan. Ik overlegde met Hilary en we kwamen overeen, dat er niets anders op zat. Hij ging ons voor naar binnen en wees ons de logeerkamer waar een stel smoezelige dekens op een twijfelaar lagen. Hilary vroeg hem of hij misschien lakens had. Hij gaf ons twee lakens en twee kussenslopen, die er gelukkig vrij schoon uit zagen.
We konden geen van beide slapen, de wind was op komen zetten en het regende inmiddels flink. Het huis kraakte aan alle kanten en Hilary dacht, dat ze overal ratten hoorde lopen. Toen we een tijdje hadden liggen praten vroeg Hilary aan mij, of ik wilde proberen ergens een schoon glas of een kopje te versieren met wat water. Ik trok mijn broek aan en ging zachtjes de trap af, vond de keuken en het lichtknopje, waste een kopje af onder de kraan, vulde het met water, dronk er zelf eerst wat van en vulde het opnieuw voor Hilary.
Weer bij de trap aangekomen, zag ik door de kier van de deur in de woonkamer een klein lampje branden, ik klopte zachtjes, deed de deur verder open en ging naar binnen. Er was niemand in de kamer, maar er lag een brandende sigaret op de asbak en er stond een fles whiskey naast een flink gevuld glas. De sigaret was bijna opgebrand en dreigde van de asbak te vallen. Ik maakte hem uit en nam een flinke slok van de whiskey en ging naar boven.

De volgende ochtend stonden we, na een zeer onrustige nacht vroeg op. We kleedden ons aan zonder onszelf te wassen, omdat de badkamer er ook niet al te best uit zag. Inmiddels zag ik door het slaapkamerraam, dat de violist in de druilerige motregen al in zijn tuin liep te rommelen. Ik ging naar hem toe en vroeg hem of hij wist of de garage al open was. Hij antwoordde mij dat de garage tevens een benzinestation was en dat men er meestal vanaf acht uur terecht kon. Na een kort gesprek over het weer van de afgelopen nacht zei ik tegen hem, dat we hierdoor zeer slecht geslapen hadden en dat ik veronderstelde, dat hij hetzelfde probleem moest hebben gehad. De violist ontkende dit echter en zei, dat hij geslapen had als een os. Toen vertelde ik hem, dat ik om een uur of twee een brandende sigaret had uitgemaakt en whiskey ingeschonken had zien staan. Hij zei tegen me dat ik toch moest weten, dat hij niet rookte en geen alcohol dronk. Hij sliep om die tijd. Ik vroeg hem wie er dan in kamer de sigaret had aangestoken. Hij antwoordde: “Oh that must be the other fellow.” “Who then?” vroeg ik: “I thought there wasn’t anybody else in the house.” Hij reageerde echter zonder aarzelen: “Oh yes, me brother, you’ll not be seeing him.” Het leek me wijzer hier maar verder niet op te reageren.
Inmiddels was Hilary ook beneden gekomen. Ik vertelde haar de reactie van de violist in verband met de whiskey. Ze haalde haar schouders op en zei, dat ze het liefst vóór een eventueel ontbijt wilde vertrekken. We gingen samen naar de violist en vertelde hem dat we snel weg moesten. We wensten hem veel goeds, bedankten hem voor de gastvrijheid en gingen naar de auto met de bedoeling deze naar de garage, die een straat verder was, te duwen. Hij schoot toe en wilde ons hiermee helpen, maar voor alle zekerheid probeerde ik de auto toch nog even te starten en tot mijn verbazing sloeg de motor gelijk aan. Hilary veronderstelde met een glimlach, dat die broer hier misschien wel iets mee van doen had. De violist keek haar indringend aan en knikte bevestigend.

Rotterdam, 2001

Wandelingen met Dylan Thomas 2 - Hans van den Bos


2.

woensdag 2 maart 2005

Het is precies tien uur. Er waait een koude wind, het is bewolkt met veel blauw en het is ongeveer een graad of zes. Het heeft volgens het weerbericht vannacht in heel Ierland gesneeuwd, maar ik heb er nog niets van gemerkt. Vannacht was het niet kouder dan plus één graad. De slagboom aan het begin van het pad is dicht, dat betekent dat er vandaag geen natuurbeheerders bezig zijn. De jongens rennen met een noodgang onder de slagboom door het bos in en gaan gelijk zitten om het een en ander kwijt te raken. Ze zijn nu wat lichter geworden en sprinten al spelend met elkaar tussen de jonge berken en struiken. Bij de eerste bocht gaan ze allebei nog een keer zitten om een restantje te deponeren. Nu kunnen we zonder zorgen verder, alleen moet er nog hier en daar een poot opgetild worden, om anderen duidelijk te maken dat dit ons gebied is.
Gisteren ben ik met DT heel vroeg naar Whiting Bay gegaan. Het was vloed, zodat er maar een smalle reep strand over was. Geen mens te zien op het strand. Behalve toen we na een half uur terug liepen naar de parkeerplaats kwam er een man te paard het strand op. Toen hij mij met DT van rechts aan zag komen reed hij snel de andere kant op, misschien houden sommige paarden niet van honden. Er foerageren heel wat vogels in die baai, veel scholeksters, zilverplevieren en bonte strandlopers. Regelmatig zijn de zwarte schimmen van de laag over de golven vliegende aalscholvers te zien en natuurlijk vele meeuwensoorten.
Waarom Hilary gisteravond ineens een rotbui had net voor we naar bed gingen, Joost mag het weten. Vanmorgen was het weer over, zei ze, hoewel ze nog wel kort af was. Ze heeft het natuurlijk dikwijls veel te druk. Of maakt ze zich te druk over het druk hebben?
Er liggen dikke wolken op de bergen in de verte. Dat zullen de sneeuwwolken wel zijn die daar tegen gehouden worden. De hoogste berg, die ik de naam Kilimanjaro gegeven heb, is niet te zien. Meestal heeft hij in de koude weken van het jaar een sneeuw- of ijskap.
Toen ik eergisteren hier liep waren er twee knobbelzwanen aan het knokken, terwijl mevrouw toekeek, in de uiterwaarden van de Owbeg rivier hier beneden. Nu zie ik maar twee zwanen, waarschijnlijk heeft een van de twee heren het zwanenpad gekozen. Er zijn nu ook eenden, ik weet alleen niet welke soort, maar ik denk wilde eenden.
Met vloed op zee kan het water van de Blackwater niet weg en wordt dan terug geduwd, zodat het bijna twee meter stijgt. De Owbeg treedt hierdoor buiten zijn oevers en vormt dan een ondiep meer hier onder de heuvel. Interessant voor verschillende vogelsoorten. Er zal binnenkort wel een zwanennest gebouwd worden. Waarschijnlijk zijn het dezelfde zwanen die hier vorig jaar waren, toen hadden ze vier jongen.
Gisteren liep ik plotseling te denken aan dat restaurantje in de Witte de Withstraat, waar we een paar keer buiten hebben zitten eten en ik kon niet op de naam ervan komen. Ik wist dat het met een P was, een streek in Vlaanderen en tevens de naam van de eigenaar. En ineens gisteravond wist ik het weer, terwijl ik zat te lezen in het boek Leviathan van Julien Green. Ook heb ik van hem vorige week na twintig jaar opnieuw Adrien Mesurat gelezen. Plotseling zei ik tegen Hilary, Van Poppering was de naam. Raar hoe zoiets ineens weer te voorschijn komt. Hersens zijn toch bijzondere dingen.
We zijn weer bij de Bocht van de gedumpte auto, de jongens zijn vrij rustig vandaag, zeker nog moe van gisteren.
Kijk, daarbij de monding van de Owbeg vliegt die eenzame kleine zilverreiger. Vorig jaar zag ik er ook steeds een rondvliegen. Tegen het steile stuk na de bocht op. Verdomd koud ineens, ik krijg nu de noordooster wind precies in mijn bek. Van die kou moet ik eerst even pissen. Even wachten Dylan, jij mag er zo overheen.
Het enige nadeel van dat restaurant was dat ze altijd zoveel op je bord deden, ik kon het nooit op. Typisch Vlaams. Lekker bier hadden ze, dat heette ook Van Poppering. Zouden die mannen hier nu klaar zijn? Het zou fijn zijn als ze gestopt zijn met het vernielen van de planten. Natuurbeheer heet dat. De sneeuw op de bergen in het noorden is toch gesmolten zo te zien. Alleen de top van de Kilimanjaro is nog steeds niet zichtbaar.
Daar heb je het geluid weer van de bomen met reumatiek, typisch, alleen op deze driesprong. Jammer dat Paddy er niet meer is, hij had het hier heerlijk gevonden, heel wat fijner dan de Heemraadssingel. Deze jongens hebben het een stuk beter. Een hond hoort niet in een stad. De alarmroep van een merel. Ze zijn natuurlijk in die struiken met een nest bezig en pa hoort de jongens aankomen. Daarom vliegt hij met zijn schetterende geluid weg. De jongens gaan vanzelfsprekend achter hem aan.
Kijk eens, daar zitten twee goudvinken, een mevrouw en een meneer.
Ik zal vandaag het Appelpad maar nemen. Dylan vreet niet zo van dat gras, dadelijk moet je weer kotsen!
Die televisie blijft me irriteren. Regelmatig ruik ik hier in het bos een vanilleachtige geur, ik ben benieuwd wat dat is. Hoewel vandaag ruik ik constant zout. Het is net of ik op het strand loop. Vanmorgen heb ik zout water opgesnoven om van mijn snot af te komen en omdat ik daardoor steeds moet hoesten. Dat betekent dat ik de rest van de dag de zee blijf ruiken.
De wind is toch gedraaid naar het noorden, noordnoordwest. Ik moet van die pet af, die doet me steeds meer denken aan het Ierse traditionele gedoe, waar ik hoe langer hoe meer de schurft aan krijg. Als ik ’s winters wat op mijn hoofd wil hebben moet ik maar een anarchisten baret aanschaffen.
Een buizerd, recht boven. Hij cirkelt behoorlijk hoog rond, gaat zelfs nog hoger en drijft hij af naar het zuiden. Die zal ik misschien wel meer gaan zien, zeker als hij ergens hier in de buurt zijn horst heeft.
Nu links het Appelpad op. De jongens zijn er al, zij willen dus ook die richting uit.
Toch zou ik wel weer eens naar de Slegte willen gaan, dat is iets wat ik hier mis, tussen oude boeken snuffelen. Met de gevonden boeken op het terras van de pub op de Lijnbaan in het zonnetje een pint drinken en dan met de bus naar huis. Die bushalte waar ik bijna tegen een tram aanliep, vlak voordat we in ballingschap gingen. Hilary kon me gelukkig net op tijd terugtrekken.
Hier uit de wind is het lekker. Ze zijn hier ook bezig geweest met snoeien, maar gelukkig niet zoveel. Het pad hebben ze niet breder gemaakt, zodat het hier al veel groener is. De appelbomen staan er ook nog. Een vluchtende fazant waarschuwt, met een schril korrk-kokzijn vrienden, dat de jongens in aantocht zijn. In de verte blaffen honden, ik denk bij het huis op de rots. Nee toch niet, het blaffen komt uit het bos aan de overkant.
Zo we zijn boven. Niet verder jongens, hier blijven! Ik wil geen ruzie met de eigenaar van de paarden die een eindje verder staan. Een kleine pauze voor een saffie. Dit toch wel mijn liefste plek, vooral vanwege het enorme uitzicht over het westen van Waterford.
Als Hilary binnenkort geen kopzorgen meer heeft over haar werk, moet ik hier een keer alleen naar toe met pen en papier en zij kan dan op DT letten. Deze plek is een gedicht waard. Zo een gedicht als Mangan’s Bay moet toch een vervolg krijgen. Ik had nooit verwacht, dat ik de Engelse vertaling zo snel gepubliceerd zou krijgen. Het was in één keer raak en ook nog in “Southword”, wat ik een mooi tijdschrift vind. Toen ik het gedicht terug kreeg van redacteur Gregory O’Donoghue dacht ik, dat hij het niet wilde, maar achterop adviseerde hij me het woord – fuchsia’s - te veranderen in fuchsia en had wat kritiek op enkele komma’s. Verder schreef hij, dat hij het gedicht desalniettemin graag wilde plaatsen in het aanstaande juni nummer. Nu op naar de volgende publicatie. Ik ben van plan binnenkort mijn vertaling van de vier gedichten van Cees Buddingh’ naar een ander Iers tijdschrift te sturen. Wie weet!

De jongens willen verder, dus terug naar beneden in noordelijke richting. Ginds in het noordoosten zijn de toppen van de Monavullagh Mountains met daarachter de hogere Comeragh Mountains. Op sommige toppen ligt nog sneeuw rond anderen hangen grijze wolken. Waar de wind vandaan komt, hij is nu pal noord, is nog een flink stuk blauw, misschien blijft het nog even droog. De zon spiegelt mooi in de Blackwater. Is nu 12 over half elf.
Kom Dylan! Wat blijf je nu staan. Een beetje eigenwijs aan het doen. Ben je weer aan het uitdagen?
Gisteren nogal druk gehad. Naar de Fiatdealer in Glanmire geweest in verband met een tikgeluid in de auto. Daarna de was gedaan, opgeruimd, de hondenharen en het zand opgezogen met dank aan de jongens. Dat is waar ook, als ik straks thuis kom moet ik niet vergeten de ijsduikers, die ik gisteren in zee zag zwemmen, alsnog te noteren.
Nederlanders zouden op dat strand allang basaltblokken neergegooid of een dijk gebouwd hebben, want met een beetje storm worden steeds weer stukken van het land achter het strand meegenomen. De boeren raken daar langzamerhand al hun grond kwijt. Maar ja, ze krijgen er wel een stuk zee bij en als ze slim zijn moeten ze zich laten omscholen tot visser.
Boven de bergen wordt het steeds grijzer. Het zal me niet verbazen als er toch nog wat sneeuw in de lucht zit.

Elke avond hoor ik tijdens de borrel van Hilary verhalen over haar leerlingen. Laatst over een meisje, nou ja een meisje, ze is een jaar of eenentwintig geloof ik, die problemen heeft met haar hartstikke katholieke ouders. Tijdens de les vroeg ze Hilary het een en ander over godsdienst, want ze begreep niet waar die god dan wel is. Het zou heel erg zijn, zei ze, als er helemaal geen god is, omdat dan niemand het kwaad in de wereld kan tegenhouden. Hilary heeft haar reeds eerder verteld, dat ze geen geloof heeft. Dus het zou dat‘meisje’ toch inmiddels duidelijk moeten zijn, dat een mens zonder een geloof niet automatisch met het zogenaamde ‘kwaad’ in de wereld van doen heeft. Als er ergens het kwaad in de wereld is, dan is het wel in die christelijke oorlogzuchtige Verenigde Staten van Amerika, waar zo’n veertig miljoen katholieke Ieren wonen. Hilary is niet het kwaad, maar regelmatig wordt ze het wel eens, omdat al die gelovigen zich van alles laten wijsmaken. Wanneer worden die nu eens kwaad. Ze kunnen niet logisch nadenken, dat krijg je van eeuwenlange indoctrinatie. Jongeren in Ierland hebben veel twijfel, maar als ze kinderen krijgen doen ze precies hetzelfde als hun ouders. Maar ja, zeggen ze dan, hun kinderen zijn niet verplicht om naar de kerk te gaan. Die kinderen worden natuurlijk wel voor alle zekerheid, want men weet maar nooit, gedoopt, moeten communie doen en af en toe biechten. Ook wordt verwacht dat ze in de kerk trouwen, want dat is nou een maal traditie.
Zo'n man als Joyce, een van de grootste schrijvers alle tijden, geestelijk was hij een wrak, vooral dank zij de godsdienst die hem is ingestampt tijdens zijn jeugd. Zijn vader was er niet zo mee bezig, maar die scholen met die lekkere jezuïeten. Lees de Portret maar hoe het daar toeging. Wat een geluk dat ik daar van verschoond ben gebleven. Hij leefde alleen maar voor zijn werk en had lak aan de rest van de wereld.

De jongens rennen vooruit naar het stroompje van het Waterpad om te drinken. Er komen heel wat vliegtuigen over tijdens zo’n wandeling, over milieuvervuiling gesproken. Een tijdje geleden in de pub vertelde Michael me, dat hij eens een keer had geprobeerd uit te rekenen hoeveel vliegtuigen per dag rondvliegen om de aarde. Het is hem niet gelukt, want Londen schatte hij al op zo’n 1400 vertrek en aankomsten en tel alle vliegvelden in de wereld maar eens op, dan komt het op tienduizenden vliegtuigen. Vergeet natuurlijk ook niet al dat vliegend oorlogstuig. Hoeveel liter kerosine verkopen die oliemaatschappijen per dag en is deze kerosine loodvrij? Over het terugdringen van het vliegverkeer wordt nooit gesproken, er worden alleen maar meer startbanen aangelegd met toestemming van de regeringen, zodat er nog meer gevlogen kan gaan worden.
De grijze wolken komen niet dichterbij, de bergen houden ze vast. Het weer wordt wel steeds schraler. Mijn lippen drogen er van uit en mijn snot blijft ervan lopen. Het is nu vijf voor elf, ik moet niet vergeten straks de was aan te zetten. Als alles mee zit kan ik heel de middag gebruiken om te schrijven, een lange middag trouwens, want Hilary komt vandaag laat thuis.

Nou moet ik weer pissen. Op mijn vaste stek dan maar, hier in de Bocht van de gedumpte auto, met uitzicht op de rivier. Zo, the pig is out of the brook. Mejuffrouw Readt op de MULO vertelde ons al in de eerste week, dat the pig in the brook zat. Nou ja, dat hoefde ze ons natuurlijk niet te vertellen. Alleen sommige meisjes keken gek op. Jantje, een dwerg die naast me op zijn schooltas zat, had gelijk commentaar en werd als eerste dat jaar uit de klas gestuurd, wat later nog heel veel keren zou gebeuren, totdat hij uiteindelijk voorgoed van school werd verwijderd. Jaren later in de jaren zeventig zag ik hem voor het eerst weer terug. Het was in café Dizzy, een jazz café aan de 's-Gravendijkwal in Rotterdam. Hij zat aan een tafeltje bij de deur naast de kapstok. Buiten de toog was dat tafeltje de enige plek waarop men zijn glas neer kon zetten, wanneer men bijvoorbeeld een sjekkie wilde draaien. Wat dan ook dikwijls gebeurde en Jantje wist dat. Elk glas wat op dat tafeltje terecht kwam was een stuk leger als de eigenaar het weer oppakte. Voordat ik de kroeg verliet kocht ik nog een laatste glas bier, welk ik vergat op te drinken. Toen ik weg ging stak Jantje zijn hand op, maar dat was niet omdat hij mij herkend had, want ik was flink gegroeid. Ik zag hem later ook een keer op tv in een toneelstuk samen met een stel andere dwergen. Waarschijnlijk een van de weinige keren dat hij werk kon krijgen.
In de jaren negentig kwam hij een aantal keren in mijn boekhandel in de Witte de Withstraat, meestal tijdens de winter als het buiten koud was. Ik moest hem wel goed in de gaten houden, want met die kleine handjes kon hij heel goed boeken snaaien. Op een dag kwam ik met hem in gesprek en ik vertelde hem, dat ik naast hem gezeten had op de MULO. Hij kon zich dat niet herinneren, want hij was maar een jaar op die school geweest. Toen hij naar de deur liep, twijfelde hij bij de toonbank, draaide zich om en vroeg me of ik een knaak voor hem had, want hij had nog niet gegeten.

Hoe zou het met Patrick gaan, het is bijna drie jaar geleden dat ik hem op de Lijnbaan voor het laatst gezien heb. Met de dope die hij gebruikte is het goed mogelijk dat hij inmiddels in zijn kist ligt. Jammer, dat ik hier in Ierland er nooit achter kom hoe het met die mensen gaat. Ik heb mazzel gehad met een hoop dingen, want ik loop hier in een prachtige natuur, in de stilte, luisterend naar de zangvogels en kijkend naar rond zwemmende knobbelzwanen. Af en toe hoor ik maar een auto. Niet te vergelijken met het lawaai en de stank tijdens mijn wandelingen door Rotterdam. Beukelsdijk af, Heemraadssingel, naar de West-Kruiskade langs mijn oude winkel, langs het monument aan de kop van de Westersingel, waar Hilary me vertelde dat ze bij mij wilde blijven die eerste nacht en dat werd de rest van ons leven, en dan de Lijnbaan op. Ik hoop ik niet dat ik naar Nederland terug moet op een dag, bijvoorbeeld wanneer Lette gaat trouwen. Moet ik daar dan bij dat huwelijk aanwezig zijn? Haar moeder, dat teringwijf, en die andere ellendelingen weer zien. Als ik het doe, zou ik het liefst alleen gaan, want ik wil het Hilary niet aan doen dat zooitje te ontmoeten. Maar ze wil niet dat ik er alleen naar toe rijd met de auto. Ik zou het natuurlijk rustig aan kunnen doen, een of twee dagen langer dan we vroeger die reis maakten.Jongens hier blijven! Die vrouw is er weer met haar auto, die zij altijd parkeert bij de slagboom. Ze gaat dan lopend over de weg ergens naar toe, maar waar naar toe ben ik nog niet achter gekomen.Hier Thomas je moet aan de riem. Ga zitten! Goed zo! Dylan jij ook, kom hier. Zit! Good boys. En volg! Naar de auto.

Wandelingen met Dylan Thomas 1 - Hans van den Bos

1.

dinsdag 22 februari 2005.

Het is koud voor Ierse begrippen, een graad of vier boven nul, hoewel de zon schijnt. Vannacht heeft het licht gesneeuwd en een paar graden gevroren. Er komen wat wolken aan. Kom op jongens, niet tussen die bramen, doorlopen!
Vorige week woensdag ben ik voor het laatst hier in het bos op de heuvel geweest. Donderdag heb ik vanwege het slechte weer een korte wandeling met DT op strand van Whiting Bay gemaakt. Toen ik daarna thuis kwam voelde ik een griep opkomen en wilde eigenlijk naar bed, maar omdat Hilary erg last van haar rug had ben ik toch maar op gebleven. De volgende dag was de pijn gelukkig minder, zodat ze ’s middags een paar leerlingen in Fermoy les kon geven. Ik ben die dag naar bed gegaan met een stapel boeken, wat ik tot gistermiddag heb volgehouden, want toen moest ik eruit vanwege de spierpijn.
Het is zes over negen. Wat een stilte, zelfs geen geluid van de wind. Ik ben nu halverwege het pad naar de bocht, waar die auto was achtergelaten. Een auto, die net voor het eind van vorig jaar gebruikt was door vermoedelijk een paar jonge mannen, om rond te racen in het bos, waarbij ze veel olie verloren, wat nu nog zichtbaar is op de paden. De gardai, die ik heb ingelicht, deed hier natuurlijk niets aan.
Zou het toch geholpen hebben om met Michael in de pub hier over te praten? Hij heeft zijn contacten en na mijn gesprek met hem is die wagen door een tractor weggesleept. Hier is de bocht. Vanaf deze bocht gaat het pad oostwaarts 500 meter vrij steil omhoog. Maar eerst nog even van het uitzicht genieten over de rivier. Het water staat hoog. De bergen aan de andere kant van de vallei zijn niet zichtbaar, ze zijn omringd door wolken. Op de heuvel, waar Cappoquin tegenaan leunt, ligt wat sneeuw. Verder maar jongens!

Langzaam komen de bergen uit de wolken tevoorschijn. De jongens zien of horen iets en lopen hard vooruit, ze verdwijnen uit het zicht. Dylan Thomas, hier!! Daar zijn ze alweer. Mijn conditie gaat nu wel weer en ik heb geen last meer van mijn linker poot. Het lopen maakt de spieren soepel.
Een meesje zingt zijn lied in een van de berken. Een pimpelmees?
De zon wordt geleidelijk aan verzwolgen door de wolken. Ja, ik zie het nu duidelijk, het is een pimpelmeesi. Daar in een lariks ruziën twee staartmezen. Nu kom ik bij de eerste driesprong en ga rechts verder omhoog, het Televisiepad op. Weer een steil stukje, hier ligt wat sneeuw. Hoe hoger hoe meer sneeuw. Geen voetsporen en geen bandensporen. Ik ben vandaag hier alleen met DT. Waarschijnlijk durven de oude wijven met hun truthondjes, die we af toe tegenkwamen, hier niet meer te komen nu die twee zwarte honden hier ronddraven. Jammer hè, Dylan? Bij de eerste glimp van DT namen ze hun hondjes op hun arm en stonden te beven tot ik vriendelijk glimlachend voorbij was.
De televisie en de kinderwagen liggen nog in de berm. Iemand heeft de televisie omgekeerd, misschien een archeoloog. Hier gaat het pad verder omhoog.

De mannen, die de afgelopen dagen in het bos aan het werk waren, zullen die rommel vanzelfsprekend niet opruimen, het interesseert ze gewoon niet. De kans bestaat ook nog dat zij het er neergegooid hebben, want zij hebben een sleutel van de slagboom.
De viersprong, het eerste pad rechts is het Kilometerpad en de tweede het Waterpad. Ik ga nu links het valse plat van het Lange pad op, recht op de zon aan, die zojuist is vrijgelaten. Hoelang kom ik hier eigenlijk al? Sinds we in Tallow wonen tot afgelopen november, eens in de zoveel weken, maar vanaf november bijna elke dag. Omdat op andere plekken zoveel wild rondloopt waar de jongens achteraan gaan, heb ik dit bos maar gekozen als wandelgebied. Vreemd eigenlijk dat hier geen wilde zoogdieren zijn. Ik zie zelfs geen konijnenkeutels. Wat zou de reden zijn? Te veel jacht?

Elke week verandert er wel iets in het bos, hoewel een winter zoals op het continent hier bijna niet voorkomt. Tot eind december was het najaarachtig met veel regen, maar daarna begon de lente met af en toe een winterse dag.
Het voordeel van het ziek zijn van de afgelopen dagen is lezen. Van Hilary mocht ik niets meer doen, terwijl ze zelf nog steeds last van haar rug had. Maar ja, met rugklachten kan je oud worden, doch met een longontsteking kan je de pijp uitgaan, zeker als je in een Iers ziekenhuis op de gang moet blijven staan bij gebrek aan bedden. Gelukkig heb ik geen koorts gehad. Diverse boeken van Thomas Mann en van zijn zoon Klaus gelezen. Ook begonnen in een boek over de Ierse natuur sinds de laatste ijstijd. Negentig procent van Ierland was bos. Kijk eens aan, hier ligt nog behoorlijk wat sneeuw.
Bijna bij het einde van het Lange pad, dat licht slingerend naar het zuidoosten loopt. Het laatste stukje gaat flink omhoog. Het valt toch niet mee als je een paar dagen in bed hebt gelegen, mijn spieren zijn toch nog wat stijf.
Jaren geleden heb ik het boek van ene Palliser, de Quincunks, gelezen, gisteren had ik er weer zin en ben er weer in begonnen. Het is een imitatie Victoriaanse roman. Ik zal maar rechts aanhouden op deze driesprong. Links is een mooi pad, het Appelbomenpad, dat zuidwaarts naar de andere kant van de heuvel loopt. Als we die cottage kunnen kopen, dan kan ik vanaf het weiland boven de cottage dat pad nemen om het bos in te gaan. Nog een paar honderd meter omhoog, dan zijn we op de top. De jongens horen weer wat! Er zitten hier behoorlijk wat fazanten en houtsnippen, hoewel ze ook achter merels aan gaan.
Rustig aan heren, niet vechten en laat dat blaffen! Koest!
Weer een zingend meesje, nu is het een koolmees. Andere zangvogels, die ik op mijn wandelingen in dit bos gezien heb, zijn de roodborst, de vink, de goudvink, de zanglijster, de grote lijster, het goudhaantje, de winterkoning en de zwarte mees.
Geen sneeuw meer. Dit is weer een van de steilste stukken, maar we zijn er nu bijna. Het is een goed geschreven roman, geen litterair hoogstandje, maar heerlijk ontspannend voor luie dagen. Een boek vol ellende en drama, zoals de ‘Moonstone’ en de‘Woman in white’ van Wilkie Collins, en het geeft een mooi beeld van Londen in de negentiende eeuw.
Hè, hè we zijn er jongens, het hoogste punt. Links gaan twee doodlopende paden op de top naar de zuidkant van de heuvel met, als het helder is, mooie uitzichten op de Bride vallei en op de bergen in het noorden.
Eerst even wat vocht loslaten, dat heb je als je ouder wordt, vroeger hield ik het in de winkel de hele dag op, niet zo gezond, maar nu moet ik op een wandeling van een paar uur wel zes keer, wat volgens mij ook niet normaal is. Hier gaan de jongens meestal achter elkaar aan rennen, ze hebben iets met deze plek, misschien ook blij dat ze boven zijn. Iets meer dan een half uur flink doorgelopen. Dylan pist weer over mijn pis heen, dat doet hij steeds meer. Thomas schenkt er geen aandacht aan.

Volop zon, de lucht is nu strakblauw. Weer naar beneden. Sinds januari bloeien de prachtige goudgele bloemen van de gaspeldoorn. Nog meer mezen. Veel berken staan hier eigenlijk. De gaspeldoorn wordt ook wel Franse brem genoemd. Daar een hazelaar met katjes. De varens hebben nog blad, het lijkt wel alsof ze gewoon doorgroeien. In de tuin hebben ze ook nog bladeren. Dit is een stukje mooi loofbos, hier gaat het pad weer een eindje omhoog. De meeste mensen komen hier niet. Kijk eens, aan de kamperfoelie begint al nieuw blad te komen.
De temperatuur is door de zon gestegen naar zeker een graad of negen. In de Hudsonbaai is het nu gemiddeld min 30. Ik hoorde dat het in Rotterdam ook vriest, hoewel wat minder. Hier in West-Waterford is het bijna warm, maar dat komt door de warme golfstroom. Drie plekken op bijna dezelfde breedtegraat. Waar ik ook kijk groeit kamperfoelie, maar er zijn nog geen uitlopers aan de bramen. Gelukkig is hier niets gekapt. Weer het vervelende geluid van een vliegtuig, dat zo te zien richting Cork vliegt.
Dit was het klimmetje en vanaf nu is het alleen nog maar dalen. Door al die loofbomen ligt het pad sinds de herfst bedekt met dode bladeren. Vorige week ging een storm behoorlijk tekeer, daardoor zijn er heel wat takken naar beneden gekomen. Dat kan link zijn als je hier loopt, want zo'n tak kan een flinke buil veroorzaken. Nu recht op een oude beuk af, die een van de mooiste bomen is in dit bos. Hij staat precies op een driesprong. Het pad rechtdoor tussen nieuwe aanplant is een cul-de-sac. Het pad rechts naar beneden, is het Beukenpad, dat volgt een oude muur, waarlangs nog een stuk of tien oude beuken staan. Waarschijnlijk waren hier vroeger weilanden. Aan de andere kant van de muur is een nieuwe aanplant van jonge beuken en daar tussen woekeren gaspeldoorn, varens, hulst en kamperfoelie. Gelukkig worden er steeds meer loofbomen geplant in plaats van die eeuwige naaldbomen. Er zitten nog bessen aan de hulst. Half december waren hier ‘hulststropers’ bezig. Op een rouwdauw manier rukten ze takken af van de vrouwelijke struik, waar de rode bessen aan zitten en verkochten ze op de parkeerplaatsen van de grote supermarkten per takje voor wat euro's. Tijdens het kerstfeest hangen die takjes aan de muren van vele Ierse woningen. Door het christendom wordt heel wat natuur verziekt. De oude beuken zijn bedekt met mossen en elfenbankjes en de toppen van deze nu kale bomen zijn groen van de klimop. Van één beuk is niet veel meer over. Al een half jaar ligt er een grote zware tak op het pad, waarover heen geklommen moet worden en met de laatste storm is de top van de boom gevallen, zodat er nu alleen nog maar een gespleten stam van vier meter hoog staat. Het hout is helemaal vermolmd. Ik ben benieuwd hoe oud die boom is geworden, want hij was behoorlijk hoog.

Vandaag nog geen fazanten en houtsnippen gezien. Het pad gaat nu flink omlaag. Na de afdaling is er een pad naar rechts, dit is het Waterpad, waarover een uit de struiken komend beginnend beekje stroomt. Weer een dikke tak waarover heen geklommen moet worden. De heren drinken hier altijd. In droge tijden is dit het enige water op de heuvel. Ze vinden ook leuk om door het water te baggeren, en soms gaat Dylan als hij het warm heeft heerlijk in het modderige water liggen.
De vogels houden hier volgens mij een zangwedstrijd. Na een paar honderd meter gaat het stroompje de grond weer in bij de viersprong. Je moet wel waterdichte schoenen hebben op dit pad, het is erg drassig na de laatste regens. Hilary’s voetafdrukken van gisteren zijn duidelijk zichtbaar. Vanaf hier is ‘s winters Cappoquin in de verte te zien.
Terug op de viersprong, verder naar beneden via het Televisiepad. Naast het vlakke deel van het Televisie pad hebben de jongens in de loop der tijd tussen de struiken een achtbaan gecreëerd, waarop ze met een noodgang elke keer elkaar achterna zitten. Ze vinden het heerlijk om door de losse bladeren te rennen. De wandeling maar even onderbreken, dan kunnen ze hun gang een tijdje gaan. Februari is het alweer, nog vijf maanden en we zijn drie jaar in dit groene land. Dylan komt naar me toe en vindt dat we verder kunnen lopen. Thomas is het hier niet mee eens, maar hij zal zich bij de meerderheid moeten aanpassen.

Het begint wat te waaien, een lichte oostenwind, wat ook te merken is aan het kreunen van een groep bomen net na de driesprong. Het is net alsof ze reumatiek hebben. In de verte het geluid van een tractor en het klaaglijke loeien van Fries vee. Vanaf hier is een goed zicht op het huis op de rots. Het was vroeger van de Villiers. Trouwens, dat hele gebied aan de overkant van de rivier was van die lekkere familie. Iemand vertelde me ooit dat het huis nu een hotel is, maar ik zie meestal maar één auto en af en toe lopen er een man en een vrouw rond en twee honden. Terug bij de Bocht van de gedumpte auto. Wat een prachtig land toch, wat jammer dat ook hier mensen wonen die niet weten hoe ze met de natuur om moeten gaan.
Een zanglijster zit weer voluit te zingen op zijn vaste stek in een oude eik. Het weer wordt steeds beter. Wat zou het fijn zijn als we dat huis bij Camphire Hill konden kopen, want dan hoef ik de jongens niet elke dag hier mee naar toe te nemen. Door al dat gedraaf jagen ze de vogels de schrik op het lijf. De zon is pal achter me. Langs dit pad groeien veel bosaardbeien. Vorig jaar heb ik een paar plantjes meegenomen voor de tuin, wat woekert dat spul, binnen een jaar staat er twee vierkante meter. Mooi dat zingen van een roodborst.
Volgens het weerbericht wordt het morgen bitter, bitter koud. Dat zal echter wel mee vallen, want zodra de Ieren de temperatuur zien dalen richting vijf graden raken ze in paniek, mogelijk bang voor een nieuwe ijstijd. Hier ligt ondanks de zon nog wat sneeuw op het pad, maar op de weilanden in het dal ligt helemaal niets. Opnieuw even een sanitaire stop. Rechts is door de struiken en bomen de driespong met de brug over de Owbeg River en de weg naar Cappoquin zichtbaar. Evenwijdig aan dit pad gaat de weg naar Lismore. Aan het einde van dit lange pad is een scherpe bocht naar de parkeerplaats waar de auto staat. Dylan gaat meestal in die bocht zitten en weigert dan verder te lopen, want hij wil niet naar huis. Maar als ik doorloop naar de auto vindt hij het toch wel link worden en volgt mij en Thomas heel stiekem als ik niet kijk. Het nu halfelf precies, de jongens zitten in de auto en de zon heeft ons in de steek gelaten.

11 December 2015

Joyce in Bloom - Christopher Hitchens

Echoing Homer, riffing on Shakespeare, teeming with puns, palindromes, and allusions, Ulysses was a revolutionary exploration of the consciousness of its hero, Leopold Bloom. On the hundredth “Bloomsday,” the author bows to James Joyce’s novel, so long a target of censors, for the delights and discoveries it offers with every reading. (Published in Vanity Fair)


Asurly English overseer is standing at the entrance to a construction site in London. It’s a filthy, wet day. He sees approaching him a shabby figure, with clay pipe clenched in mouth and a battered raincoat, and scowlingly thinks, Another effing Mick on the scrounge. The Irishman shambles up to him and asks if there’s any casual job going. “You don’t look to me,” says the supervisor, “as if you know the difference between a girder and a joist.” “I do, too,” says the Irishman indignantly. “The first of them wrote Faust and the second one wrote Ulysses.
This is my favorite “Irish” joke, not just because it revenges itself on generations of nasty English caricature—to have represented the Irish, the people of Swift and Wilde and Shaw and Yeats, as stupid, of all things— but because it is itself Joycean. His universe of words was a torrent of puns, palindromes, parallels, parodies, and plagiarisms (with a good deal of Parnell stirred into the alliteration). Every now and then I will see a word as if for the first time, and suddenly appreciate that Evian is “naïve” spelled backward, or that Bosnia is an anagram of “bonsai.” Preparing some salad the other day, I murmured, “I knew Olive Oyl before she was an extra virgin.” Joyce could do this, at an infinitely higher standard of multiple entendre, drawing on several languages, for pages on end, so that—depending on your level of awareness, and your capacity to spot new allusions and analogies—you never reopen the same book of his, or even the same chapter, without realizing that you are holding a new text in your hands and haven’t really read it before.
Word games and word jokes are the special province of growing children who are coming into language for the first time (lucky them). And, lucky for us, Joyce was a startling case of infantilism and arrested development. Why, just for a start, did he pick June 16, 1904, as the day on which Mr. Leopold Bloom of Dublin, at first alone and then in the company of Stephen Dedalus, mimics the several stages of Homer’s Odyssey before dropping anchor with his blowsy Penelope, the dirty-minded Molly Bloom? On that day the newspapers reported on a terrible ferry accident at New York’s Hell Gate and a war—between Russia and Japan—that would curtain-raise the Great War of 1914. These events are mulled over in the city, along with a spectacular reversal of fortune at the horse races, as Bloom goes on his way. But this wasn’t what had fixed the date forever in the mind of James Joyce. On that day, he had made a rendezvous with a chambermaid, by the marvelous name of Nora Barnacle, who had newly arrived from Galway. She had failed to keep their first appointment (after he had initially picked her up in the street) and by a nice coincidence kept him standing outside the house of Oscar Wilde’s father, on Merrion Square. But the second date exceeded his expectations. The couple took a walk out to Ringsend, beyond the city’s docks, where, as Joyce later told her in a molten letter, it was not he who made a move but “you who slid your hand down inside my trousers and pulled my shirt softly aside and touched my prick with your long tickling fingers and gradually took it all, fat and stiff as it was, into your hand and frigged me slowly until I came off through your fingers, all the time bending over me and gazing at me out of your quiet saintlike eyes.”
A century later, the literary world will celebrate the hundredth “Bloomsday,” in honor of the very first time the great James Joyce received a handjob from a woman who was not a prostitute.
Many fine writers have sought to handle this delicate yet simple subject. One thinks of Mark Twain’s “Some Thoughts on the Science of Onanism,” or of Martin Amis, who did a good deal of hard and valuable reflection about handjobs in Money, and naturally of Philip Roth’s Portnoy (“I am the Raskolnikov of jerking off!”). But, all too often, the subject matter here is the humble, unassuming, solitary version, sometimes adopted for reasons of economy (“Overheads are generally low,” as Amis’s John Self ruefully reflects) as well as for reasons of, well, solitude. Though it may be possible to take pride in one’s work in this department, also. Joyce certainly did. When a stranger in a café in Zurich seized him by the mitt and exclaimed, “May I kiss the hand that wrote Ulysses,” Joyce responded, “No—it did lots of other things too.” But the greatest effusion ever unleashed by a single, properly managed, and expertly administered (and how often can you say that?) female-to-male handjob is beyond doubt the 735-page mastur-piece that was first published by Shakespeare and Company in Paris, in just 1,000 numbered editions, in February of 1922—since which date, our concept of the novel has revolutionized itself.
I shall be returning to self-abuse as a theme (trust me), but I want to give just a slight indication of the influence the book has had. I knew that George Orwell, in his second novel, A Clergyman’s Daughter, published in 1935, had borrowed from Joyce for his nighttime scene in Trafalgar Square, where Deafie and Charlie and Snouter and Mr. Tallboys and The Kike and Mrs. Bendigo and the rest of the bums and losers keep up a barrage of song snatches, fractured prayers, curses, and crackpot reminiscences. But only on my most recent reading of Ulysses did I discover, in the middle of the long and intricate mock-Shakespeare scene at the National Library, the line “Go to! You spent most of it in Georgina Johnson’s bed, clergyman’s daughter.” So now I think Orwell quarried his title from there, too.
Then take the vast, continuing controversy over the bigotry of T. S. Eliot. In a notorious lecture entitled “After Strange Gods,” delivered at the University of Virginia in 1933, Eliot had said that the presence of “too many free-thinking Jews” was “undesirable” in a well-ordered society. Seeking to define what was meant by a traditional community, he proposed that we call it “the same people, living in the same place.” And this deceptively simple formulation is taken word for word from Leopold Bloom, who offers it in Barney Kiernan’s pub when challenged, and then challenged again, by a violently anti-Jewish Irish nationalist. Nobody knows why Eliot chose to quote Bloom, without attribution, in a public address designed to attack Jewish influence. All we know is that he admired Joyce extravagantly, and that a novel mined by Orwell and Eliot within a year or so of each other, when Ulysses was still a banned book, is a considerable literary force.
In some intuitive manner, Joyce seems to have had the premonition that the Jewish question would be crucial to the 20th century. (He was to die in 1941 while fleeing the German advance in Europe.) When not with Nora, or when not writing her frenziedly masturbatory letters, far, far fiercer than the mild incitements that Bloom sends to and receives from his mystery lady, he sought out Jewish girls (perhaps to be certain that they were not Catholics). One of Bloom’s first actions is to stop at a pork butcher’s and, in this improbable setting, to pick up a Zionist leaflet from an organization based in Berlin. Joyce admired the Jews because, like the Greeks, they lived in a diaspora and because, like Odysseus, they were wanderers. Furthermore, the Jews and Greeks proved that it was possible to worship higher goals without surrendering to the especial horror of Holy Mother Church—Joyce’s lifelong enemy. He unceasingly blamed the priesthood for, among other things, the betrayal and abandonment of Charles Stewart Parnell, the heroic Protestant nationalist leader who was taken in adultery.
Indeed, largely because of that church, Joyce himself was forced to live in exile from Ireland most of his life, and much of Ulysses is an attempt to reconstruct, from memory, the sight and sound and feel of his beloved Dublin. “Nostalgia” means literally a return home, and Joyce pined for the banks and bridges of the River Liffey as Odysseus had for Ithaca. Furthermore—and like Homer himself—he suffered from blindness. Those with poor vision are often compensated with extra sensation in other faculties, and Joyce’s language pays minute attention to the sound and smell of everything, from food to horses to women. He loved strong color for the same reason, and insisted that the first edition of Ulysses be bound in a very specific shade of blue—the color of the Greek sea on which Odysseus had first sailed to recapture Helen, and then sailed again to escape from Troy. (Ask yourself, by the way, what part of Helen it was that Odysseus had failed to win. Her hand … )

Bloom is Ulysses/Odysseus himself in Joyce’s highly individual version of the story, and if you love the original there is delight to be had in guessing which adventure is which. The Dublin “nighttown” brothel run by Bella Cohen is Circe’s cave. The restaurant full of nauseating food and disgusting eaters is the encounter with the Laestrygonian cannibals. The enraged Jew-baiting Sinn Féiner is the Cyclops Polyphemus. And Bloom, whose son died in infancy, needs a Telemachus for his Ulysses and finds him, or fancies that he does, in Stephen Dedalus. Daedalus was the genius of antiquity who designed the impenetrable labyrinth that held the Minotaur, and the man who first learned to fly (losing his own son, Icarus, in the experiment). Together, in the second half of the voyage, Bloom and Dedalus negotiate the warrens and back alleys of Dublin’s labyrinth, while Dedalus soars like Icarus with flights of poetry and quotation. At the end, with Jew and Greek united in one synthesis, Joyce gives us a long call-and-response section (“Of what did the duumvirate deliberate during their itinerary?” “Was there one point on which their views were equal and negative?”) with most answers many, many times longer than the questions. In my opinion, while this is fairly obviously an echo of Plato’s Symposium, it also evokes the question-and-answer part of the Passover Seder, with its emphasis on the education of the young. Wine is involved in both Symposium and Seder, and Ulysses is nothing if not well lubricated with gallons of booze.
Talking of lubrication … for all its soaring, Ulysses repeatedly comes back to earth in the earthiest sense, and reminds us that natural functions and decay and sexual frustration are part of the common lot. Here, Joyce’s childishness about potty humor and playing with yourself was an enormous help to him. We are familiar now with the idea of “interior monologue” and “stream of consciousness,” but nobody before Joyce had shown us a man—Bloom—partly planning his day around his handjobs. He at first thinks that he’ll jerk off at the steam baths, but changes his mind and is glad he did because, encountering Gerty MacDowell and her girlfriends frolicking on the beach (Odysseus on Nausicaa’s island), he is able to whack off to greater effect at a safe distance (as does, if I’m not mistaken, frisky Gerty herself). Joyce wrote to a friend about this passage, describing it as a “namby-pamby jammy marmalady drawersy (alto la!) style with effects of incense, mariolatry, masturbation, stewed cockles, painters palette, chitchat, circumlocutions, etc. etc.”
Bloom’s fantasies are mood swings of insecurity. At times, he is grandly imagined as a future Jewish lord mayor of Dublin. (In 1956, a Jew named Robert Briscoe actually was elected mayor of Dublin. When this news was brought to Yogi Berra he commented, “Only in America.”) At other moments, Bloom is pictured with his own soft and vulnerable figure ignominiously on trial, with all his dirty secrets exposed. The expert medical witness in one such scene, Dr. Malachi Mulligan, pronounces him “prematurely bald from selfabuse.” The doctor’s namesake, the “plump Buck Mulligan” who opens the narrative, cannot stay off the subject, either. (He pro-poses a play called “Everyman His own Wife or A Honeymoon in the Hand.”) And all the time, as he negotiates this jizz-flecked environment, Bloom is queasily aware that his Molly—his Penelope—has been giving herself to another man, or men. In the vast, rambling, lubricious, and unpunctuated soliloquy that closes the novel, Molly Bloom herself reviews some of her better bedroom moments and may well be having the longest solitary climax, or series of climaxes, ever set down on a page. The Victorians were evidently dead wrong when they said that wanking made you listless and unproductive (though Joyce might have wondered furtively and occasionally, and with good apparent reason, about the cause of his own blindness).
That great Victorian Matthew Arnold thought that the true cultural balance was between Hellenism and Hebraism, or between the polytheistic, the philosophical, and the aesthetic and the spare, stern monotheism of the Old Testament. He also believed that poetry should replace religion as the source of ethics and morality. Joyce, who liked the idea of Hellenizing and He-braizing Ireland, and who refused—like his Stephen Dedalus—to kneel in prayer even at his mother’s deathbed, employed literature to stave off guilt and to ward off faith. It was for this reason, as much as for any “indecency,” that his Ulysses was for so long seized and burned by the police and customs. The book was held to be blasphemous and profane, as well as obscene. Nonetheless, when it first came to a trial, in New York City in December 1933, Judge John M. Woolsey had only to decide on the question of whether it was, or was not, pornographic. Which he did in the following unintentionally hilarious manner:
I am quite aware that owing to some of its scenes “Ulysses” is a rather strong draught to ask some sensitive, though normal, persons to take. But my considered opinion, after long reflection, is that whilst in many places the effect of “Ulysses” on the reader undoubtedly is somewhat emetic, nowhere does it tend to be an aphrodisiac. “Ulysses” may, therefore, be admitted into the United States.
There, in all its rotund and brainless condescension, you have the censorship mentality, which is no less contemptible in its “liberal” mode. Joyce had managed to do something that few writers have even dared to attempt: the ventriloquizing of Shakespeare in such a manner that the reader may be unsure where the genuine leaves off and the parody begins. You try it. In fact, try reading the Hamlet passage in Ulysses aloud, which is a good scheme anyway since, like Homer, Joyce was hearing the music of language in his head and writing almost for recitation. And the censor will just about allow this, because, although it may make you sick, at least you won’t get sexually aroused! Puke, yes. Orgasms, no. Though James Joyce himself may have written—to Nora—with his pen in one hand and his thing in another, I, too, very much doubt that anyone has ever employed Ulysses as a “manual” of that kind. Which makes it magnificently sobering to reflect that, without the many and various thrills of gratification per mano, it might never have been composed at all.